|
Mathieu Geelen Componist Bijgewerkt: 13-03-2011 |
|
Stichting Mathieu Geelen Componist ©2004 t/m ©2011 |
Met dank aan Guus Smeets en de Prof. Dr. Timmersstichting, uitgever van “Sittardse Cultuurdragers 1299 - 1999”, die toestemming verleenden tot gebruik van deze biografie.
Auteur: Guus Smeets componist - dirigent - muziekpedagoog - leider van drie instellingen voor muziekonderwijs Wanneer men de muzikale levensloop van Mathieu Geelen reduceert tot het curriculum vitae dat hij zelf beschikbaar stelde, kan men spreken van een opvallend evenwichtig verlopen carrière die helaas te vroeg is afgebroken. 1. Muzikale bewustwording en opleiding Hij werd geboren in Sittard als zoon van een mijnwerker, hij had één zus. Zijn ouders hadden geen speciale bindingen met muziek, ofschoon er thuis wel werd gezongen. Als kleuter verhuisde hij naar Neerbeek, waar zijn ouders een huis hadden laten bouwen. Toen hij de lagere school bezocht werd hij al spoedig lid van het jongenskoor van de Sint-Callistuskerk. Enkele jaren later werd hij ingelijfd bij de plaatselijke fanfare, zoals in Limburg niet ongebruikelijk eveneens onder de schutse van de patroon van de parochiekerk, dus fanfare Sint-Callistus. De organist-dirigent en koster van de kerk kwam al snel tot de bevinding, dat Mathieu Geelen het muzikale raspaardje was onder zijn koorknapen. Hij bood hem pianolessen aan, hetgeen door hem en zijn ouders op prijs werd gesteld. Later zou Mathieu in zijn kerkmuzikale curriculum vermelden: Als koorknaap vanzelf doorgerold naar het orgel en het parochiële koor begeleid. Na enkele jaren toonde de pianoleraar dat hij een wijs man en goed pedagoog was. Hij deelde de jonge Mathieu mee dat hij hem niet veel meer kon leren. Hij adviseerde hem les te gaan nemen aan het toenmalige muzieklyceum in Maastricht. Deze instelling voor muziekonderwijs had een vakafdeling en een afdeling muziekschool. De wijze raad van de kerkmusicus werd opgevolgd. Mathieu en zijn ouders waren trots en enthousiast met zijn uitverkiezing. In Maastricht onderkende men onmiddellijk zijn talent, hij werd ingeschreven en ontving pianoles van de heer Soons aan de afdeling muziekschool. Na de lagere school werd Mathieu leerling van het Bisschoppelijk College in Sittard, de streekschool voor middelbaar onderwijs. Daar viel al spoedig zijn aanleg voor tekenen op. Met de muzieklessen in Maastricht en het musiceren in Neerbeek ging het snel crescendo. Mathieu verliet na enkele jaren het gymnasium om zich volledig op de muziekstudie te kunnen werpen. Zijn tekenleraar stond perplex; hij zag in de jonge Geelen een toekomstig kunstschilder en vond het voor de hand liggen, dat hij zich liet inschrijven aan een academie voor beeldende kunst. Mathieu heeft overigens zijn liefde en aanleg voor de beeldende kunst nooit verloren - hierover later.
Vakstudie -
militair - beroepsmusicus: Uitstel van eerste oefening, zoals dat zo fraai werd genoemd, laat staan vrijstelling van militaire dienst werd aan musici zelden verleend. Mathieu moest dus zijn studie en beperkte beroepspraktijk tijdelijk onderbreken. Desastreus is de militaire diensttijd echter niet geweest. Met zijn werkzaamheden, waaronder de kerkmuzikale verplichtingen, kon hij, zij het minder intensief, doorgaan tijdens de vrije weekends. De toenmalige rijksinspecteur voor het muziekonderwijs dr. C.L. Walther Boer, was tevens inspecteur voor de militaire muziek. Hij was een liefhebber van blaasmuziek; vóór de tweede wereldoorlog was hij dirigent geweest van de Koninklijke Militaire Kapel. Hij had belangstelling voor musicerende dienstplichtige militairen. Mathieu kwam als militair eerst terecht in Bergen op Zoom; daar werd voor hem een verwaarloosde dienstpiano volledig gereviseerd en kreeg hij ruim gelegenheid om piano te studeren. Na enkele maanden werd de intussen tot militair telegrafist opgeleide Geelen overgeplaatst naar Vught, waar de landmacht een semi-professioneel blaasorkest, bestaande uit dienstplichtige militairen, in stand hield. Dit was een ko1fje naar de hand van Mathieu. Met een aantal maatjes, leden van het blaasorkest, musiceerde hij geregeld. Uit die tijd stammen ook zijn eerste composities voor blazersensembles. Aanvankelijk waren dat bewerkingen van bestaande werken voor piano of orgel, maar al snel werden dat eigen composities, die hij instudeerde en uitvoerde met zijn collegae. Terug uit militaire dienst vervolgde Geelen zijn studie in Maastricht bij de reeds genoemde leraren, waarbij nu ook de directeur van het muzieklyceum Willem Hijstek kwam, voor de theoretische vakken. Zijn leraren - in het bijzonder Louis Toebosch - hadden intussen goed begrepen, dat hun piano- en orgelleerling meer in zijn mars had dan de gemiddelde muziekstudent. Zijn studiepakket werd uitgebreid met directie, theorie en in het verlengde daarvan compositie. En passant deed hij met succes staatsexamen piano L.O. in Den Haag, waardoor hij een benoeming kon aanvaarden als pianoleraar aan enkele muziekscholen rond Sittard. Ook werd hij dirigent van het kamerkoor 'Paluda' in Hoensbroek. Bij al zijn werkzaamheden aan amateurs stelde hij hoge eisen, of ze nu zongen of speelden.
Huwelijk: Miny Rijs is haar man 32 jaar tot steun geweest, ze heeft hem geïnspireerd bij zijn werk, vooral tijdens moeilijke perioden van ziekte en tegenwerking. Uit hun huwelijk werden vijf kinderen geboren. Samen vormden zij een harmonisch gezin. Mathieu vond er geborgenheid, waaraan hij behoefte had. Gedurende de jaren vóór zijn huwelijk en ook tijdens het eerste huwelijksjaar studeerde Mathieu Geelen af als pianist, organist, theoreticus en dirigent. Het waren goede examens. Na de tekenleraar aan de middelbare school werd nu de door Mathieu bewonderde leraar en vriend Jean Franssen verrast door Geelens keuze. Laatstgenoemde leraar zag voor hem een carrière weggelegd als veelzijdig pianist, maar Mathieu koos voor de combinatie componist - dirigent - muziekpedagoog. De directeur van de intussen als conservatorium erkende vakinstelling in Maastricht, die rond 1960 landelijke faam genoot, bood Mathieu vrij snel na zijn laatste eindexamen een deeltijdfunctie aan als leraar theoretische vakken (contrapunt, harmonie en analyse). Mathieu was hiermee verguld, hij was nog erg jong. Hij sprak altijd over zijn leraarschap theorie - specialiteit fuga … een Belgisch trekje; daar is het schrijven van fuga's een specialiteit, men kan er zelfs een eerste prijs voor behalen aan de Koninklijke Conservatoria. 2. Dirigent - Componist Sittard
Sittards
Mannenkoor: Met de zojuist benoemde dirigent formuleerde het bestuur de volgende (nieuwe) doelstelling: Het Sittards Mannenkoor stelt zich ten doel de toonkunst te dienen, waar en hoe dit maar mogelijk is, de mannenkoorliteratuur in het bijzonder; waarbij meer dan gewone aandacht wordt besteed aan eigentijdse composities. Men proeft in dit statement duidelijk de invloed van Geelen, die wist wat hij wilde, het was ook de visie van het bestuur, dat voelde dat doorgaan op de oude weg zou leiden tot afbrokkeling van het koor. Aan de komst van Geelen waren enkele incidenten voorafgegaan, die het koor geen goed hadden gedaan. Geelen kreeg van het bestuur min of meer carte blanche in muzikaal - artistiek opzicht. Die kans heeft hij benut, in het bijzonder waar het betreft het repertoire en het efficiënt repeteren. Daarnaast heeft hij goed begrepen, dat hij zich niet moest afzetten tegen de bestaande netwerken van het Sittards Mannenkoor. Het koor bleef actief lid van het Koninklijk Nederlands Zangersverbond; concertreizen naar het buitenland bleven gehandhaafd en samenwerking in eigen land werd geïntensiveerd. Zestien jaar bleef Mathieu Geelen dirigent van S.M.K.. Het moeten voor hem gelukkige jaren zijn geweest. Hij genoot het volste vertrouwen van het bestuur, ook toen er in het begin een beperkte uittocht plaatsvond. Een aantal (vooral oudere) leden was het niet eens met de intensieve manier van repeteren, door sommigen als beulenwerk bestempeld. Bovendien konden de betreffende leden zich niet vinden in de totale ommezwaai bij de repertoirekeuze … de zogenaamde liedertafeltijd was voorgoed voorbij. Geelen overwon de eerste weerstanden met verve en het koor groeide onstuimig in kwaliteit en na een jaar ook in kwantiteit. Hij was wars van show, maar stapelde wel het ene succes op het andere, waardoor de band met de koorleden steeds sterker werd. De jonge Geelen, die qua postuur en uiterlijk op Koning Boudewijn van België leek, werd een vriend van de koorleden. Speciaal met dokter Winters (voorzitter) en Frits Hamers (secretaris en jarenlang redacteur van het verenigingsblad Klankbord) had hij de best denkbare vriendschapsbanden. Geelen, die later wel eens is verweten dat hij zo afstandelijk was, bewees hier het tegendeel; met Frits Hamers ging hij voor enkele dagen visgenot zelfs naar Ierland.
Repertoirevernieuwer: In 1961 dirigeerde hij voor het eerst werken voor mannenkoor en symfonieorkest, in dit geval het Limburgs Symfonie Orkest. Voor het bestuur wederom een gedurfde stap, want het L.S.O. stond niet direct bekend als gemakkelijk te hanteren door koordirigenten. Maar zoals vrijwel steeds het geval is, als de orkestleden voelen dat de man op de bok zijn partituur beheerst, goede oren heeft en muzikaal wat heeft te bieden, klikt het en de altijd sober dirigerende Geelen had die kwaliteiten. Daarna zijn er nog vele succesvolle concerten geweest met het L.S.O. en andere beroepsorkesten o.a. in het Kurhaus te Scheveningen. Een absoluut hoogtepunt was de concertante uitvoering van Oedipus Rex van Strawinski bij gelegenheid van het zeventigjarig bestaan van het S.M.K. in de stadsschouwburg van Sittard in 1967. Een jaar daarvoor had hij al eens twee premières verzorgd: de aan S.M.K. opgedragen compositie Christus heri et hodie van G.Kockelmans (bekroond door de Culturele Raad Limburg) en Minne-Vierluik van M. Geelen. De media hadden intussen ontdekt dat er bij S.M.K. bijzondere culturele prestaties werden geleverd. De landelijke en regionale pers waren vol lof over de gedurfde initiatieven van M. Geelen. De omroepen NOS en KRO zonden menig concert in binnen- en buitenland uit. Bij de toenmalige Regionale Omroep Zuid wist Geelen zich verzekerd van de support van vooral Ed Gerits, die gerekend mag worden tot zijn bewonderaars. Gerits kende Geelen vanuit het conservatorium in Maastricht, waar beiden studeerden. Hij heeft Mathieu met veel aandacht en sympathie gevolgd, met interviews en opnamen tot aan het einde van zijn leven. Toen Geelen al vele jaren niet meer in Limburg werkte, bezocht hij hem in het verre Oosten (Twente). Hij was degene die een concert enkele weken voor Geelens dood in 1990 kwam opnemen om in Lirnburg uit te zenden, hierover later. Eenmaal benoemd bij S.M.K. verplaatste Geelen zijn werkzaamheden voor het grootste deel naar Sittard. Zo werd hij in 1959 benoemd aan de Sint-Petruskerk als dirigent van het kerkkoor en een nieuw opgericht jongenskoor. Met een jongerenkoor, bestaande uit leerlingen van het Serviamlyceum en het Bisschoppelijk College verzorgde hij enkele bijzondere uitvoeringen waarvoor veel enthousiasme bestond, omdat hij de jonge mensen wist te inspireren tot topprestaties. 3. Maastricht - Weert - Eindhoven
Conservatoriumleraar
Maastricht: Hij kreeg in zijn theorieklas een jonge veelbelovende pianiste Tony Ehlen. In haar zag Geelen een musicienne die meer kon dan mooi pianospelen. Hij werd haar mentor om ook de weg van het componeren in te slaan. Zij is Mathieu blijven volgen in zijn carrière en omgekeerd gebeurde hetzelfde - Geelen bleef haar steunen en inspireren. Tony Ehlen heeft verscheidene werken van Mathieu als première gespeeld. Zij werkte ook mee aan het laatste concert vóór zijn dood in Enschede.
Muziekschool
Weert: Het was Geelens oud-leraar Louis Toebosch die hem daarvoor aanbeval. Geelen, die wel voelde voor een nieuwe uitdaging, twijfelde. De muziekschool vond hij het meest interessant omdat hij daar iets van zijn idealen inzake de muzikale opvoeding van de jeugd kon realiseren. Na enkele dagen stemde hij toe om de vier functies te aanvaarden, op voorwaarde dat hij zijn lesdag in Maastricht mocht behouden. Hetzelfde gold voor zijn verbintenis met het Sittards Mannenkoor. Bij zo'n benoeming kun je achteraf kanttekeningen plaatsen, zeker als je de fysieke belasting van zes functies, verdeeld over drie steden, en de compositorische arbeid voor ogen ziet. Daarnaast was het pionierswerk van Claessens voor een belangrijk deel gestoeld op zijn relaties in Tilburg, waar hij leraar theoretische vakken was aan het conservatorium. Hierdoor had hij gelegenheid veel semi-professionele krachten in te zetten in Weert. Tenslotte was er het gegeven dat de fysieke kracht van Claessens buitenproportioneel was en dat de kerkmuziek op zijn retour was; Gregoriaans, polyfonie, jongenskoor, artistiek orgelspel, het liep allemaal terug. Geelen had ja gezegd en toog aan het werk. Hij gaf enkele goede uitvoeringen met de oratoriumvereniging o.a. van de Symfonie des Psaumes van Strawinski. Met het kerkkoor moest hij concessies doen in het kader van het verval (hiervoor genoemd) en bij het orkest verviel de conservatoriuminbreng uit Tilburg. Kortom, voor Geelen was het vooral zaak om vanuit de muziekschool te werken aan vernieuwing, groei en nieuwbouw; daaraan heeft hij zich voor meer dan 100% gegeven. Toen hij kwam waren er 400 leerlingen, dat waren er na zeven jaar 1.400. De docenten wist hij stap voor stap te winnen voor het begrip musiceerschool en aan de nieuwbouwplannen heeft hij een belangrijke impuls gegeven. Gedurende de drukke Weerter jaren is hij blijven componeren met als uitschieter zijn uit 1967 stammend grote werk voor (mezzo)sopraan, mannenkoor, blazers en slagwerk Pacem in terris op teksten uit de gelijknamige encycliek van Paus Johannes XXIII. De première heeft hij wel voorbereid met het Sittards Mannenkoor, maar enkele weken voor de uitvoering werd hij ernstig en langdurig ziek, waardoor een vervanger de première moest dirigeren. Zo'n ziekteperiode stempelt een mens, zeker als het een gevoelig kunstenaar betreft. Met enthousiasme is Geelen na de ziekteperiode weer aan de slag gegaan, maar de waarschuwing dreunde nog lang na!
Directeur van de
muziekschool in Eindhoven: De situatie die Geelen in Eindhoven aantrof was een totaal andere dan in Weert. In laatstgenoemde gemeente kwam het vertrek van Jean Claessens onverwachts. In Eindhoven had de directeur na jarenlange dienst de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het bestuur had enkele jaren daarvoor een zakelijk adjunct-directeur aangesteld, die zich al snel had opgewerkt tot de dagelijkse leider van de school. De zittende directeur had geen behoefte om nog op zijn strepen te staan. De school die hij achterliet had goede leraren en een goed niveau, van een schoolgemeenschap was nog geen sprake. Wederom kan men zich afvragen of Geelen zich dit alles heeft gerealiseerd… hem lokte vooral het niveau, de nieuwbouwplannen, het bestuur met een krachtige voorzitter en de cultuurstad Eindhoven: Van Abbe museum, stadsschouwburg, Philipsschouwburg (POC), Philipskoor, Philipsorkesten, twee beroepstoneelgezelschappen en een wethouder die kunstgevoelig was. Geelen had intussen de nodige ervaring opgedaan met bestuurders, journalisten en muziekdocenten. Hij was een veelgevraagd adviseur. Meermalen werd hij onderscheiden als componist. Met zijn gezin vond hij snel een huis in het Van Goghdorp Nuenen. Al snel bleek dat enkele vooraanstaande docenten met de zakelijk adjunct-directeur hun gedurende de laatste jaren verworven machtsposities wensten te verdedigen. Geelen is daar bewust niet krachtdadig tegen ingegaan. Hij legde het accent voorlopig op de nieuwbouw en de grote lijnen van de algemene culturele activiteiten in Eindhoven. Hij vond in dit kader een uitstekend klankbord bij Ben Sies, de directeur van de Eindhovense Kunststichting. Een en ander was niet direct naar de zin van de muziekschoolvoorzitter, die reageerde met wat extra bemoeienis met de muziekschool. Ook in die verhouding bleef Geelen zichzelf, men zou kunnen zeggen soeverein. Van een ideale situatie was natuurlijk geen sprake. Met veel idealisme begonnen, besloot Geelen na ruim twee jaar een heel grote overstap te maken - hij aanvaardde een benoeming tot directeur van het Twents Conservatorium in Enschede. Het is dan midden 1974. Geelen is 41 jaar, heeft erkenning gevonden als componist, dirigent en pedagoog. Bovendien is hij gerijpt en heeft hij geleerd om te gaan met kleine conflicten en intriges, die hij overigens verafschuwde en derhalve nooit zocht. 4. Directeur conservatorium Twente Van Sittard via Weert naar Eindhoven en nu naar de hoofdstad van Twente, het blijft een hele onderneming. Zijn leraar Louis Toebosch hield het intussen in Tilburg voor gezien. Ook werd de roep steeds luider, om bij grote kunstinstellingen primair een manager aan de top te benoemen en liefst geen kunstenaar, laat staan een fijnbesnaard kunstenaar. Geelen, die ook iets beschouwends had, moet over dit alles hebben nagedacht voor hij aan zijn nieuwe opdracht begon. Hij was daarover tijdens gesprekken gesloten of vaag; hij was eventuele vragen zelfs vóór door te vragen Wat zou jij ervan vinden als ik directeur van een conservatorium zou worden? Niemand dacht dan aan Enschede, omdat Maastricht enkele jaren later vacant zou komen. Maar Geelen wist dat Maastricht een zekere reputatie had in het aantrekken van kunstenaars die niet uit het Limburgse kwamen, en dat niet altijd met succes. Een belangrijke reden om toch directeur van een conservatorium te worden was, ondanks veel mislukkingen her en der, zijn rotsvaste overtuiging, dat een conservatorium het best geleid kon worden door een componist. Een wat gedateerde opvatting, maar wel een die zich in Nederland had bewezen. We moeten dan denken aan Johan Wagenaar, Sem Dresden, Willem Pijper, Kees van Baaren, Jan van Vlijmen en anderen. Vooral componisten stonden volgens Geelen borg voor consequent artistiek beleid. Als dirigent had Geelen bij het S.M.K. een goede reputatie verworven, als componist had hij ruime erkenning, gelet op het grote aantal opdrachten dat hij verwierf. Het Twents Conservatorium moest zijn derde succes worden en ook dat zou hem lukken. Twente betekende wel afscheid van Sittards mannenkoor - te ver en een uiterst slechte verbinding. Sittard liet hem niet met lege handen gaan. Tijdens een hartverwarmende receptie ontving hij van de stad, waar hij geboren was en waar hij zestien jaar het culturele leven voor een belangrijk deel had bepaald, de zilveren erepenning voor zijn verdiensten. Het gezin Geelen vestigde zich na Geleen, Sittard, Weert en Nuenen nu in Hengelo, de tweede stad van Twente. Het Twents muzieklyceum had, evenals Maastricht, nog een afdeling muziekschool. De eerste directeur was Carel Jacobs, een musicus van internationaal formaat (organist, dirigent, pianist en componist), maar van regionale allure. Een leider met gezag, geboren aan de Duitse grens, dus gewend aan samenwerking met Duitsers. Hij was een briljant muziekstudent geweest aan de Utrechtse Kerkmuziekschool. Hij verwierf faam als koor- en orkestdirigent, maar zijn ster bleef stilstaan boven Twente. Slechts voor een hoger directiediploma kwam hij naar Den Haag, waar de examencommissie opkeek van zijn kwaliteiten. Later wilde hij zich nog wel eens laten verleiden tot het afnemen van staatsexamens, In 1972 kreeg het muzieklyceum de status van conservatorium. In 1974 ging de stuwende kracht Carel Jacobs met pensioen. Het bestuur zat met het probleem Wie kan deze man opvolgen? Tijdens de uitgebreide sollicitatieprocedure werd het bestuur, dat er geen geheim van maakte een ander type directeur te zoeken, door Ber Joosen (prominent leraar piano en koordirectie aan het conservatorium) gewezen op de Limburgse M. Geelen. Hij kende Geelen als componist en dirigent, beiden waren lid van de muziekcommissie van het Koninklijk Nederlands Zangersverbond. Het bestuur reageerde heel merkwaardig door Carel Jacobs - de scheidende directeur - maar eens voor een gesprek naar Geelen te sturen en dat pakte goed uit. De referenties van o.a. inspectiezijde waren positief dus kon Geelen beginnen in een vrijwel onbekende omgeving aan een instelling met een eigen cultuur, maar ook met mogelijkheden, kwaliteit en … gewend aan leiding. Aan
het werk: Geelen toog aan het werk, zoals gezegd behoedzaam, maar wel energiek in een vriendelijke, maar ook afwachtende sfeer binnen het conservatorium. Toen hij na twee jaar volledig was ingewerkt, sloeg het noodlot voor de tweede keer toe, hij werd geveld door een hartinfarct. De instelling raakte niet in paniek… een triumviraat, waarin de hem intussen al vertrouwde leraar B. Joosen werd opgenomen, heeft Geelen uitstekend vervangen. B. Joosen, vroeger ook al een steun voor Carel Jacobs, had vóór Geelens ziekte al tweemaal een uitvoering verzorgd van werken van zijn nieuwe baas met het kamerkoor van het conservatorium en zijn gemengd koor in Nijverdal en orkest. Dat schept een band. B. Joosen is ook daarna op de bres blijven staan voor composities van zijn directeur o.m. met zijn Hengelo's Mannenkoor. B. Joosen, in 1978 adjunct-directeur geworden, was tot 1988, toen hij met pensioen ging, voor Geelen een onvermoeibare en betrouwbare kracht. Teruggekeerd na zijn ziekte, zette Geelen zijn werkzaamheden weer voort, zoals bij zijn afscheid werd geschreven: Hij profileerde het conservatorium naar buiten, zodanig dat het landelijk een begrip werd. Zijn benoemingsbeleid was dikwijls gedurfd en niet altijd voorspelbaar. Zo trok hij in 1976 een jonge leraar aan voor Hammondorgel (H. Mast uit Leeuwarden) en in 1977 de jonge, veelbelovende koordirigent Kees Stolwijk uit Rotterdam. Hij maakte zich sterk voor bewegingsleer, in het bijzonder voor zangers en schoolmusici. De sterk in opkomst zijnde instrumenten als elektronisch orgel en keyboards behandelde hij serieus, onder meer door er voor te componeren… ook voor het onderwijs. De elektronica werd geïntegreerd aangeboden bij alle studierichtingen. Geelen was steeds vernieuwend bezig. In het landelijk overleg van conservatoriumdirecteuren blies hij zijn partij mee, goed samenwerkend met de directeuren van Rotterdam en Zwolle (de buurman). Voor de hopeloos versnipperde huisvesting werd in 1978 een tijdelijke oplossing gevonden. Een leegstaand klooster Dolphia, dicht bij de Duitse grens, kwam ter beschikking. Hij kreeg drie maanden om de meest noodzakelijke aanpassingen aan te brengen en twee vakantieweken om te verhuizen tijdens de zomervakantie. De instelling werkte in zijn geheel mee, Geelen dankte iedereen uitvoerig in de schoolkrant. Na vier bewogen jaren begon hij aan zijn vijfde schooljaar: in een eigen huis, allen onder één dak. Geelen was trots en liet dit merken als hij de vele bezoekers rondleidde in het neo-klassieke klooster. Het gebouw had sfeer, een gevolg van de sobere aankleding die getuigde van Geelens goede smaak. Ook zijn eenvoudige directeurskamer - tevens vergaderruimte - op de westhoek van het gebouw ademde sfeer en rust. Met menigeen liep hij vanuit het gebouw een rondje door het fraaie Twentse landschap. Korte wandelingen met gecommitteerden, met collegae, met docenten met wie hij dan plannen of problemen besprak. Vooral buitenshuis was hij heel ontspannen. Van de al eerder genoemde afstandelijkheid, die volgens sommigen langzamerhand kenmerkend voor hem was geworden, was geen sprake. Het was meer een kwestie van bescheidenheid dan van afstandelijkheid, maar niet iedereen herkent dat onmiddellijk! Vanuit het ministerie van O&W verschenen regelmatig circulaires die weinig goeds voorspelden voor het kunstonderwijs. De conservatoria moesten zich steeds meer profileren om te kunnen blijven voortbestaan, de concurrentie groeide. Geelen deed aan het laatste niet mee. Hij hamerde op kwaliteit en vernieuwing. Weer kwam hij met initiatieven: de Twents Conservatoriumprijs; een jaarlijkse cd-opname van vooral nieuwe, liefst Nederlandse composities, uitgevoerd door leraren en leerlingen van het Twents Conservatorium; internationale samenwerking, in het bijzonder op het gebied van de elektronische toetsinstrumenten; scholing van Duitse muziekschoolleraren in Enschede en bijscholing in Duitsland; stimulering van de muziekdramatische kunst met de door hem aangetrokken kopstukken Henk Smit en vooral Anne Haenen. De laatste was in tweede instantie benoemd met haar man Keny Woodward (ensembleleiding). Vooral Anne Haenen schatte Mathieu Geelen hoog in. Zij heeft de vocale muziek van Mathieu met overtuiging uitgedragen. Haar leerlingen hadden vrijwel allen, tijdens en na de studie, muziek van Mathieu Geelen op het repertoire. Tenslotte nam Geelen het initiatief om introductieconcerten te laten geven door nieuw benoemde docenten, een waagstuk in Nederland. Geelen bleef ook tijd reserveren om te componeren. Ruim een derde van zijn werken - in tijdsduur zelfs de helft - is tijdens de Twentse periode gecomponeerd, veelal in opdracht van overheden, fondsen en muziekorganisaties. De werken variëren van eenvoudige stukjes voor het muziekonderwijs aan amateurs tot nieuwe grote werken voor solisten, koor en orkest. Liefst drie sextetten schreef hij voor blazers. De liefde voor (solo)blazers, ontwaakt in Neerbeek, intenser geworden tijdens zijn militaire diensttijd, was gebleven, maar kwam nu weer bovendrijven door de ontmoeting met zijn voortreffelijke leraren hout en koper.
Nieuwbouw Twents
conservatorium: De inbreng van Geelen in de bouwcommissie en de samenwerking met de vele betrokkenen moet heel bijzonder zijn geweest, daarvan getuigt men na tien jaar nog steeds. Zijn feeling en liefde voor architectuur en beeldende kunst hebben hem ook hier niet in de steek gelaten. Het ongemeen fraaie conservatoriumgedeelte mag zeker voor een belangrijk deel Geelens creatie worden genoemd. Bij de opening van het muziekcentrum in 1988 mocht hij Koningin Beatrix en Prins Claus rondleiden door het toen bijna voltooide conservatoriumgedeelte van het rnuziekcentrum. Op 23 november 1988 was het moment aangebroken, dat het nieuwe Twents Conservatorium feestelijk kon worden geopend. In het fraai geïllustreerde programma dat bij de opening werd uitgegeven wordt allereerst aandacht besteed aan de grondlegger van het Twents Conservatorium, Carel Jacobs, die spoedig na zijn pensionering overleed; daarna wordt de rol van Geelen in sobere bewoordingen geschetst. Hierin moet de altijd bescheiden Mathieu zelf de hand hebben gehad… bij hem ging het altijd om de idealen, niet om het eigen succes. De opening duurde een week, het gehele instituut was er bij betrokken: koren en orkesten, dans en cabaret, kamermuziek en lichte muziek etc. In opdracht waren twee werken geschreven door Louis Toebosch en Diderik Wagenaar, respectievelijk voor koor en orkest en voor blazers en slagwerk. Deze werken werden tijdens de feestweek tweemaal uitgevoerd. De overige programmaonderdelen bestonden eveneens uit voornamelijk muziek van de twintigste eeuw, met diverse premières en diverse werken van Nederlandse componisten. Opvallend was het ontbreken van een werk van Geelen… dat doe je niet, als je zelf de hand hebt in de programmasamenstelling! Zo was hij.
Afscheid: Hij had tijdens de bouwperiode ook nog te maken met de fusiebesprekingen met de toenmalige Hogeschool Oost Nederland. De voorzitter van de Hogeschool schreef daar later het volgende over: In het onstuimige gezelschap van kersverse sectordirecteuren was hij van een andere signatuur. Een kunstenaar, als directeur gevormd in de omgang met kunstenaars. Meer dan musicus, getuige de indrukwekkende wijze waarop hij beeldende kunst wist te integreren in de behuizing van het conservatorium. Ik heb dat zelden met zo'n smaak en kwaliteit zien doen. Zijn werk overziend en taxerend wat er op hem af zou komen had Geelen het laatste jaar van de bouw de dagelijkse leiding van het conservatorium overgedragen, met de afspraak dat hij de eindverantwoordelijkheid zou behouden. Een nieuw triumviraat, bestaande uit de opvolger van Ber Joosen als adjunct-directeur, de door Geelen enkele jaren daarvoor aangetrokken Chris Fictoor en twee docenten namen tijdelijk het dagelijkse werk voor hun rekening. Zonder deze maatregel had Geelen nooit zo intensief kunnen bouwen en deelnemen aan de fusiebesprekingen. Deze extra werkzaamheden vroegen nagenoeg alles van Geelen. Zo kwam hij er b.v. niet of nauwelijks aan toe om nog te componeren. Langzaam rijpte bij hem de gedachte om na het gereedkomen van de nieuwbouw zich als directeur terug te trekken. Hij besloot gebruik te maken van de DOP - regeling, een goede regeling voor 55+ uittreders. Behalve dat hij weer zou kunnen componeren, kon hij er ook op rekenen, dat hij veel zou worden gevraagd als adviseur, als commissielid, als juryvoorzitter en vooral als voorzitter bij de staatsexamencommissies muziek, waar hij altijd werd gewaardeerd. Geelen nam afscheid in zijn nieuwe gebouw; met zelfgekozen muziek en musici en een receptie. 5. Korte laatste fase In februari 1990, enkele maanden na zijn afscheid, waren Mathieu en zijn vrouw wat losgekomen van de emotionele gebeurtenissen van het laatste jaar. Het werd tijd om weer eens met vakantie te gaan - het werd wintersport. Tijdens deze vakantie is Mathieu ziek geworden; het was de aankondiging van de fatale kwaal, die hem de rest van het jaar zou blijven achtervolgen en waaraan hij in december zou bezwijken na hevig lijden, dat hij moedig droeg. Na de laatste slopende jaren was het voor Geelen en zijn gezin een bittere ervaring, dat het Mathieu niet gegeven was nog een aantal jaren te kunnen blijven componeren. Koortsachtig werkte hij aan zijn laatste composities. In 1990 werden nog vijf werken voltooid, onbegrijpelijk, gegeven de snel verslechterende omstandigheden. In november werd door leraren en leerlingen uit Twente en Maastricht in Concordia te Enschede onder de titel Ontmoeting een concert georganiseerd met uitsluitend werken van Mathieu. Hij was helaas zo verzwakt, dat hij zich niet meer kon laten vervoeren. Het was een indrukwekkende avond, waar zijn kinderen als gastvrouwen en -heren optraden - en dat in stijl. Op 6 december overleed Mathieu Geelen binnen de geborgenheid van zijn gezin. De uitvaartdienst in een stampvolle parochiekerk was een aangrijpende manifestatie van verdriet en onmacht, maar ook van waardering, achting en trouw. Zijn oude leermeester Louis Toebosch speelde orgelmuziek van zijn leerling, leerlingen van het conservatorium zongen, een kleine groep mannen zong de Gregoriaanse requiemmis. Gregoriaans, de bakermat van vele musici, ook van Mathieu voor wie de muziekopleiding was begonnen in het jongenskoor van de Callistuskerk in Neerbeek. Het was goed om te zien dat de leerlingen van het Twents Conservatorium, waar Mathieu ruim een jaar geleden afscheid had genomen, massaal waren opgekomen bij uitvaart en begrafenis. Het trieste verscheiden van Mathieu inspireerde zijn Maastrichtse vriend, de dichter Wiel Kusters, tot de volgende karakteristieke versregels.
Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door de volgende personen, met wie ik heb gesproken, hetzij uitvoerig, hetzij terloops:
Verder is gebruik gemaakt van de bibliotheek van Donemus, bandopnamen van Radio Omroep Limburg (voormalige R.O.Z.) en het archief van Sittards Mannenkoor. Dit laatste bestaat onder meer uit een aantal jubileumuitgaven en de gebundelde Klankborden (het verenigingsorgaan) van 1961 tot 1972. De biografie vanaf 1965 is vooral de resultante van 25 jaar collegiale omgang en vriendschap, waaraan ik uitsluitend dankbare herinneringen bewaar. Culemborg, maart 1999 Naar begin van deze pagina. terug naar: "Zijn levensloop" |
|||||||||||||||||||||||||||